woensdag 21 november 2012

22 juli 1944

Na 22 dagen vergaderen, stonden 44 landen op 22 juli 1944 in Bretton Woods aan de wieg van het vermaarde Bretton-Woods-Systeem.

Belangrijkste element van het systeem was het feit dat de waarde van alle betrokken nationale valuta gekoppeld werd aan de dollar terwijl de dollar in het systeem gekoppeld werd aan het goud tegen een vaste pariteit van 35 dollar per troy ounce.

Zodoende werd de dollar de reservewaarde van de wereldeconomie.

Het belangrijkste probleem voor het systeem was de vraag of de VS voldoende discipline zouden opbrengen om het akkoord niet te ontwrichten.
Zolang de 43 andere landen hun dollars niet zouden omwisselen in goud konden de VS in principe zoveel dollars drukken als ze wilden.
Welke politieker kan hieraan op langere termijn weerstaan?

Op het einde van de Tweede Wereldoorlog was alles echter koek en ei, de Amerikanen waren heer en meester en ze hadden bovendien bijna driekwart van de wereldgoudvoorraad in handen.
Aangezien zowat alle concurrenten van de Verenigde Staten tijdens de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd werden, deden de VS in de periode 1944 tot 1958 "gouden" zaken in een wereld zonder concurrentie.
De economie floreerde, het geld stroomde binnen en de VS hadden geen enkel probleem om het monetair systeem in evenwicht te houden.
De Amerikanen hadden ook geen probleem om de dure Koreaanse oorlog te financieren (25/06/1950 tot 27/07/1953) maar op het moment dat op 1 november 1955 de Vietnamese oorlog uitbrak begonnen de VS langzaam maar zeker de terugkeer van hun concurrenten te voelen.

Omstreeks 1958 kwam een einde aan de veel besproken "dollar-gap", het structurele overschot op de Amerikaanse betalingsbalans, waarmee een dollarschaarste in de wereld gepaard ging.
Het economische herstel in de andere industrielanden deed het tij keren, waarna de inflatie in Amerika, onder meer als gevolge van de oplaaiende oorlog in Vietnam, in de jaren zestig een dollaroverstroming in de Westerse wereld op gang bracht.

Tot oktober 1960 bleef de goudnotering op de markt, dichtbij de officiële prijs van 35 dollar per troy ounce.
Omstreeks 20 oktober 1960 ontstond voor het eerst, tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen, een speculatieve stroming op de internationale goudmarkten ten gevolge van geruchten over een mogelijke wijziging in de Amerikaanse goudpolitiek.

Speculanten kwamen in beweging met als gevolg dat de goudprijs op de vrije markt omhoog schoot tot 40,6 dollar per ounce of 16% meer dan de officiële prijs.
In de wereld van vandaag lijkt 16% een peulschil doch op een moment van vaste pariteiten was het een enorme afwijking.

De Bank of England brak de speculatie met de steun van de Amerikaanse overheden. Sommige centrale banken zagen in de stijging van de goudprijs het gevaar van een ondermijning van het vertrouwen in de valuta's.
Om de speculatie tegen te gaan breidde de Amerikaanse regering het sedert 1934 geldende verbod om fysiek goud te bezitten op het grondgebied van de VS uit tot de tegoeden buiten het nationale grondgebied.

Vanaf 14 januari 1961 was het voor Amerikaanse ingezetenen verboden om waar dan ook ter wereld fysiek goud aan te houden.
De Amerikanen, die toch goud bezaten, moesten dit verkopen voor 1 juni 1961.

Uiteraard waren er de heilige beloftes dat niemand in staat zou zijn om het Bretton Woods Systeem te breken en dat de overheden elke speculatie in de kiem zouden smoren.
Na deze maatregelen en de stoere bluf bleef de goudmarkt in de eerste maanden van 1961 rustig maar vanaf augustus stond de prijs opnieuw onder spanning.

In oktober stelden de Amerikaanse monetaire autoriteiten aan de Europese centrale banken voor de lasten van de steuninterventies gezamelijk te dragen.
De centrale banken van België, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zwitserland en Groot-Brittannië betuigden hun instemming met dat voorstel.

De Bank of England aanvaardde als agent voor de "pool" van centrale banken op te treden.
Het aandeel van de VS in die pool bedroeg 50%, dat van de Banque de France 9%, dat van de Nationale Bank van België 3,70%.

Hierdoor sloeg de markttendens om, zodat opnieuw goud kon worden aangekocht tegen de officiële prijs.

Een nieuwe verhoging van het kapitaal van het IMF werd beslist bij resolutie van de Raad van 1 april 1965. Op aandringen van de groep van Tien (de tien rijkste landen in de wereld waarvan België op dat moment nog lid was) bleef de kapitaalverhoging beperkt tot gemiddeld 25 procent, ofschoon de Amerikaanse onderhandelaars hadden aangedrongen op een verhoging met 50%, wat beter paste in het kraam van de toen reeds verzwakkende positie van de Amerikaanse dollar.

De Belgische quota vermeerderde van 337,5 tot 422 miljoen dollar of 21 miljard Belgische frank.

Zoals van bij de oprichting van het IMF het geval was, werd 25% van de deelneming gestort in goud en de rest, op een geringe storting in contanten na, in schatkistcertificaten luidend in franken, die het fonds via de Nationale Bank kon mobiliseren naargelang van de behoeften dit wil zeggen ter gelegenheid van trekkingen in franken uitgeoefend door de lidstaten.

De aldus geleende franken werden meestal onmiddellijk bij de NBB omgezet in dollars. Onder de vorderingen op het buitenland van de Bank nam aldus een vordering op het IMF de plaats in van een dollartegoed, wat het totale bedrag van die vorderingen ongewijzigd liet Vorderingen op het IMF, gekoppeld aan het gebruik van de dollar als sleutelvaluta, gingen meer en meer het internationale geldstelsel beheersen ten nadele van het goud.

Vanaf 1968 zou die evolutie zich tegen een nog grotere snelheid voltrekken. Onze grote leiders konden niet langer de nodige discipline opbrengen om de tering naar de nering te zetten. De verslaving aan de kunstmatige groei werd steeds sterker, politici en de politiek benoemde centrale bankiers waren op weg om het goud te vervangen door hun beloftebonnen die nu langzaam maar zeker waardeloos aan het worden zijn.

Gedurende de periode 1962-1965 behoefde de goudpool per saldo geen metaal af te geven om de nagestreefde prijsstabiliteit in stand te houden.

Op een bepaald ogenblik kwamen zelfs drukke besprekingen op gang, die eind 1969 trouwens tot een overeenkomst leidden, om via het IMF aan Zuid-Afrika een minimum verkoopprijs te garanderen, een daling van de goudprijs beneden 35 dollar per troy ounce op de vrije markt werd niet als onmogelijk beschouwd.
Was dit wishful thinking, propaganda of zelfoverschatting?

Feit is dat vanaf 1966 de markt doorlopend moest worden ondersteund, wat spoedig tot spanningen in de pool leidde.

Frankrijk was het eerste land dat in juni 1967 de overeenkomst opzegde.
De VS namen de Franse quota van 9% over.

De goudpijler van het Bretton-Woods-Stelsel begon duidelijk te wankelen, de val was nabij. Om de oorlog in Vietnam te financieren, pompten de VS in de jaren '60 steeds meer dollars in het systeem. Wegens de door de Amerikaanse Schatkist toegezegde inwisselbaarheid in goud vormden die dollars een bedreiging voor de officiële goudreserves van de VS.

Allerlei technieken werden aangewend om dat gevaar te keren.
Eigenlijk vormden zij een herhaling, in andere vormen, van een optreden dat reeds sedert de 19e eeuw in de meeste landen gehanteerd werd, met als doel om rond de officiële reserves aan internationale betaalmiddelen een verdedigingsgordel op te bouwen om voorbijgaande schokken op te vangen.

In de negentiende eeuw traden centrale banken echter kordaat op indien er zich inflatoire spanningen voordeden, na iedere opstoot van inflatie werd automatisch een deflatoir beleid gevoerd om de zaken in de plooi te houden.

De problemen in de VS waren echter niet van voorbijgaande aard.
Amerika leefde zwaar boven zijn stand en ze waren niet van plan om daar verandering in te brengen zodat de dollarpersen overuren bleven draaien.

Ondertussen devalueerde het pond sterling, dat sedert de Arabisch-Israëlische oorlog van juni '67 in moeilijkheden verkeerde, met 14,3% (18/11/1967) waardoor een forse bres werd geslagen in het stelsel van vaste wisselkoersen: ook die pijler van de Bretton-Woods constructie begon te wankelen.

Op vrijdag 15 maart 1968 moest de Bank of England tegenover de vloed van aankooporders noodgedwongen de Londense goudmarkt sluiten.

Na hun vergadering te Bazel op 10 maart hadden de leiders van de centrale banken van de zeven overblijvende leden van de goudpool nog een geruststellende verklaring afgelegd net zoals zij dat reeds op 26 november 1967 gedaan hadden na een bijeenkomst te Frankfurt ten gevolge van de devaluatie van het Britse pond, maar het tij keerde niet meer.

Op een bijzondere bijeenkomst te Washington tijdens het weekend dat volgde op de sluiting van de goudmarkt te Londen werd de goudpool ten grave gedragen.
De centrale banken besloten om geen goud meer te kopen of te verkopen op de vrije markt.

De beëindiging van de goudpool had een ontzaglijke draagwijdte die scherp tot sommige geesten doordrong.
Professor Léon H. Dupriez vergeleek dit fenomeen onmiddellijk met de gebeurtenissen in 1874 en 1876, die de ineenstorting van het bimetalisme bezegelden.
Wij bevinden ons op een beslissend keerpunt van de geschiedenis van het internationale geldstelsel, luidde het profetisch besluit van professor Dupriez.

De weg naar de huidige financiële crisis was ingeslagen...... We spreken 15 maart 1968.

(Bronnen: De Belgische frank, anderhalve eeuw geldgeschiedenis Professor Valery Janssens, Wikipedia en diverse andere bronnen op het internet)


Geen opmerkingen:

Een reactie posten