Anno 1832 stemde de officiële goud-zilverratio ongeveer overeen met de commerciële prijsverhouding tussen de beide edelmetalen. Gedurende de daaropvolgende twee decennia daarentegen vertoonde de relatieve marktprijs van het zilver over het algemeen een dalende trend. Aangezien de officiële koers niet werd aangepast, trad de zogenaamde wet van Gresham in werking. Gouden munten raaktenofficieel ondergewaardeerd en verdwenen uit de circulatie, zodat de geldomloop werd gedomineerd door zilverstukken. In 1849 keerde de prijsverhouding tussen goud en zilver om als gevolg van de spectaculaire goudvondsten in Californië en kort daarop in Australië. Het gevaar dat Franse goudstukken massaal het land zouden binnenvloeien en het zilvergeld zouden verdringen, werd bijgevolg steeds groter. Dat risico was niet denkbeeldig aangezien de productie van goudstukken in België slechts weinig voorstelde en Franse munten in ons land wettig betaalmiddel waren.
Frère-Orban, principieel tegenstander van het bimetalisme vanwege het inherent instabiele karakter ervan, maakte van de dreiging gebruik om met de wet van 28 december 1850 de enkelvoudige zilverstandaard in te voeren. België volgde daarme het voorbeeld van Nederland dat drie jaar eerder reeds op het zilveren monometallisme was overgeschakeld. Concreet betekende dit dat geen Belgische goudstukken meer mochten worden aangemunt en dat de goudstukken geen wettig betaalmiddel meer waren. Met dit laatste verbrak België, wat het goud betrof, de feitelijke monetaire unie met Frankrijk. Nochtans werden de banden met de landen waar een ander geldstelsel gold, niet helemaal verbroken. De Nationale Bank mocht immers een kwart van haar metaalvoorraad in goud aanhouden, wat haar de mogelijkheid bood verder goudstukken aan te kopen, maar dan wel tegen de heersende marktprijs.
De monetaire hervorming van Frère-Orban stuitte op heel wat verzet. De Belgische bevolking gebruikte in het binnenlandse betalingsverkeer reeds meer dan een halve eeuw overwegend Franse munten. Aan het einde van de jaren 1850 bestond de omloop van zilvergeld in België voor bijna 90% uit Franse muntstukken, die trouwens hetzelfde gewicht, gehalte, vorm en koers hadden als de Belgische zilverstukken, alleen de beeltenis verschilde. Daarom beschouwde het publiek het Franse geld als nationale muntstukken, temeer daar de Franse zilveren munten ook na 1850 in België wettig betaalmiddel bleven. In een dergelijke context was het voor de bevolking moeilijk te vatten waarom een gouden Louis, het Frans muntstuk van 20 frank, plotseling minder waard was dan vier écus, de Franse zilveren vijffrankstukken.
Het plan van Frère-Orban, om via de afkondiging van de zilveren standaard de monetaire stabiliteit te bevorderen, liep dan ook op een mislukking uit. De gevreesde toevoer van Franse goudstukken kwam inderdaad geleidelijk op gang en bereikte in 1854 een eerste hoogtepunt, waardoor een tekort aan zilverstukken ontstond. Dit betekende voor de Nationale Bank het startsein om actief in de metaalgeldomloop te inteveniëren, hoewel dat niet expliciet tot haar takenpakket behoorde. Ze verkocht een gedeelte van haar buitenlandse wisselportefeuille teneinde uit Parijs zilverstukken te kunnen invoeren. (De Bank, de frank en de euro pagina's 65 en 69)
We zien dus hoe de NBB van in het begin werk maakte van het uitbouwen van haar voorraad edelmetaal. Hierbij herhaal ik nogmaals het belang van het feit dat de aandeelhouders bij de oprichting van de NBB hun aandelen betaalden met edelmetaal in de periode van het bimetalisme waarbij zilver in een bepaalde verhouding gelijkgeschakeld was met goud. De bewering dat het goud van de NBB niet van de NBB is mag dan ook beschouwd worden als een zuivere vervalsing van de geschiedenis of de ontkenning van de realiteit. Mensen die publiekelijk de Holocaust ontkennen worden gerechtelijk vervolgd, misschien moet hetzelfde gebeuren met de mensen die beweren dat het goud van de NBB niet van de NBB is.
dinsdag 3 januari 2012
maandag 2 januari 2012
Goud is geld!
Het wantrouwen van het publiek tegenover het papiergeld bleef aanvankelijk zeer groot. Aan het einde van de jaren 1870 vertegenwoordigde de muntspecie nog meer dan tweederde van de totale chartale geldhoeveelheid. Tot 1873 waren munten trouwens het enige wettige betaalmiddel. Het juridische kader van het metalen standaardgeld ging terug tot de muntwet van 5 juni 1832. Naar Frans model werd onze geldeenheid, de Belgische frank, gedefinieerd als 5 gram zilver met een gehalte van 90% Die wet legde tegelijkertijd de basis voor de aanmunting van goudstukken, waarbij de waarde van 1 gram goud gelijk werd gesteld aan 15,5 gram zilver. (De Bank, de frank en de euro pagina 63-65)
Nu even opletten:
we weten dat een NBB aandeel bij de oprichting in 1850 duizend frank kostte:
duizend frank kwam dus overeen met 4,5 kilogram fijn zilver;
4,5 kilogram zilver was wettelijk gelijk aan 290,32 gram goud;
290,32 gram goud staat vandaag gelijk met 11.383 euro.
Volgens die berekening komt duizend frank voor een NBB aandeel in 1850 vandaag overeen met 11.383 euro.
Hierbij moeten we wel rekening houden dat de goudprijs vandaag sterk ondergewaardeerd is tegenover de situatie in 1850, de goudprijs heeft immers bijlange niet de evolutie van de koopkracht gevolgd. Aangezien goud, historisch gezien, op lange termijn steeds zijn waarde behoudt heeft de goudprijs nog een flinke inhaalbeweging tegoed om terug op het koopkrachtniveau uit 1850 te geraken.
Bij de berekening hield ik enkel rekening met het gehalte fijn zilver. Indien de wet van 5 juni 1832 uitging van 5 gram zilver per frank dan komt de hoeveelheid fijn goud voor een NBB aandeel op 322,58 gram. Kan iemand hierover duidelijkheid verschaffen?
Nu even opletten:
we weten dat een NBB aandeel bij de oprichting in 1850 duizend frank kostte:
duizend frank kwam dus overeen met 4,5 kilogram fijn zilver;
4,5 kilogram zilver was wettelijk gelijk aan 290,32 gram goud;
290,32 gram goud staat vandaag gelijk met 11.383 euro.
Volgens die berekening komt duizend frank voor een NBB aandeel in 1850 vandaag overeen met 11.383 euro.
Hierbij moeten we wel rekening houden dat de goudprijs vandaag sterk ondergewaardeerd is tegenover de situatie in 1850, de goudprijs heeft immers bijlange niet de evolutie van de koopkracht gevolgd. Aangezien goud, historisch gezien, op lange termijn steeds zijn waarde behoudt heeft de goudprijs nog een flinke inhaalbeweging tegoed om terug op het koopkrachtniveau uit 1850 te geraken.
Bij de berekening hield ik enkel rekening met het gehalte fijn zilver. Indien de wet van 5 juni 1832 uitging van 5 gram zilver per frank dan komt de hoeveelheid fijn goud voor een NBB aandeel op 322,58 gram. Kan iemand hierover duidelijkheid verschaffen?
31 december 1851
Op 31 december 1851 werd het eerste volledige boekjaar afgesloten en het jaarverslag over 1851 werd op 23 februari 1852 door de gouverneur voorgelegd aan de Algemene Vergadering der aandeelhouders.
In 1850 was de Nationale Bank van start gegaan met 25.000 aandelen van 1.000 frank. De aandelen werden echter slechts voor drievijfde volstort, de resterende tweevijfde of tien miljoen frank zou later pas opgevraagd worden indien de uitbreiding van de activiteiten dit zouden vereisen (jaarverslag pagina 6). Bij de start waren er slechts twee aandeelhouders namelijk:
de Socièté Générale met 15.000 aandelen;
de Banque de Belgique met 10.000 aandelen.
Vijftien miljoen frank was in die tijd voldoende om een centrale bank op te richten, een frank uit 1850 woog immers een beetje zwaarder dan vandaag. Een spinster verdiende in 1848 bijvoorbeeld 18 centiem per dag (Gedenkboek ASLK pagina 56). Inflatie moest in die tijd nog uitgevonden worden en bepaalde getallen uit die periode komen nu gewoon lachwekkend over.
In 1873 bedroegen kapitaal en reservefonds van de Société Générale samen 76 miljoen frank. De begroting van de Belgische Staat werd in hetzelfde jaar op 302 miljoen frank berekend. (Gedenkboek ASLK pagina 34)
De werkdag was zeer lang, gemiddeld 10 à twaalf uur. In de vlasindustrie kende men de 78-urenweek. Naargelang van de industrietak schommelden de daglonen tussen 2,26 frank en 3,30 frank (in 1880). Toen kostte een kilogram roggebrood 12 centiem, een kilogram aardappelen 14 centiem en een kilogram spek 70 centiem. (Gedenkboek ASLK pagina 35)
Omwille van het hoge risico gingen de twee NBB aandeelhouders van het eerste uur snel over tot het verkopen van een deel van hun aandelen. Belgische politici en notabelen gingen actief op zoek naar investeerders die de jonge Belgische Staat wilden steunen door aandeelhouder te worden van de Nationale Bank van België.
Op 31 december 1851 was de situatie als volgt (pagina 10 jaarverslag 1851):
13.950 aandelen aan toonder waren, op hun verzoek, geleverd aan de Banque de Belgique en de Socièté Générale of aan andere partijen die door hen aangeduid waren; 139 aandelen aan toonder werden terug naar de NBB gezonden om op naam gesteld te worden zodat het aantal aandelen aan toonder op 31 december 13.811 bedroeg.
De 11.189 aandelen op naam waren verdeeld, buiten de twee hoofdaandeelhouders, onder 111 aandeelhouders onder dewelke er 40 waren die minder dan tien aandelen bezaten, het minimum van het aantal dat voorzien was in artikel 46 van de statuten om deel te mogen nemen aan de Algemene Vergadering en te mogen stemmen. Dit recht kwam zodoende toe aan 71 aandeelhouders zonder de vertegenwoordigers van de twee hoofdaandeelhouders die door hen mochten aangeduid worden volgens artikel 61 der statuten.
In 1850 was de Nationale Bank van start gegaan met 25.000 aandelen van 1.000 frank. De aandelen werden echter slechts voor drievijfde volstort, de resterende tweevijfde of tien miljoen frank zou later pas opgevraagd worden indien de uitbreiding van de activiteiten dit zouden vereisen (jaarverslag pagina 6). Bij de start waren er slechts twee aandeelhouders namelijk:
de Socièté Générale met 15.000 aandelen;
de Banque de Belgique met 10.000 aandelen.
Vijftien miljoen frank was in die tijd voldoende om een centrale bank op te richten, een frank uit 1850 woog immers een beetje zwaarder dan vandaag. Een spinster verdiende in 1848 bijvoorbeeld 18 centiem per dag (Gedenkboek ASLK pagina 56). Inflatie moest in die tijd nog uitgevonden worden en bepaalde getallen uit die periode komen nu gewoon lachwekkend over.
In 1873 bedroegen kapitaal en reservefonds van de Société Générale samen 76 miljoen frank. De begroting van de Belgische Staat werd in hetzelfde jaar op 302 miljoen frank berekend. (Gedenkboek ASLK pagina 34)
De werkdag was zeer lang, gemiddeld 10 à twaalf uur. In de vlasindustrie kende men de 78-urenweek. Naargelang van de industrietak schommelden de daglonen tussen 2,26 frank en 3,30 frank (in 1880). Toen kostte een kilogram roggebrood 12 centiem, een kilogram aardappelen 14 centiem en een kilogram spek 70 centiem. (Gedenkboek ASLK pagina 35)
Omwille van het hoge risico gingen de twee NBB aandeelhouders van het eerste uur snel over tot het verkopen van een deel van hun aandelen. Belgische politici en notabelen gingen actief op zoek naar investeerders die de jonge Belgische Staat wilden steunen door aandeelhouder te worden van de Nationale Bank van België.
Op 31 december 1851 was de situatie als volgt (pagina 10 jaarverslag 1851):
13.950 aandelen aan toonder waren, op hun verzoek, geleverd aan de Banque de Belgique en de Socièté Générale of aan andere partijen die door hen aangeduid waren; 139 aandelen aan toonder werden terug naar de NBB gezonden om op naam gesteld te worden zodat het aantal aandelen aan toonder op 31 december 13.811 bedroeg.
De 11.189 aandelen op naam waren verdeeld, buiten de twee hoofdaandeelhouders, onder 111 aandeelhouders onder dewelke er 40 waren die minder dan tien aandelen bezaten, het minimum van het aantal dat voorzien was in artikel 46 van de statuten om deel te mogen nemen aan de Algemene Vergadering en te mogen stemmen. Dit recht kwam zodoende toe aan 71 aandeelhouders zonder de vertegenwoordigers van de twee hoofdaandeelhouders die door hen mochten aangeduid worden volgens artikel 61 der statuten.
Oproep !
Beste NBB-sympathisanten,
Ik zou een warme oproep willen doen om u, via bijgevoegd e-mailadres,aan te melden om “auteur” te worden. Zodoende kunt u altijd berichten plaatsen.
Zulke berichten komen beter tot uiting dan berichten die geplaatst worden via de rubriek “reacties”.
Aanmelden via : nbbactiegroep@gmail.com
Een voorspoedig en gelukkig 2012 !
Ik zou een warme oproep willen doen om u, via bijgevoegd e-mailadres,aan te melden om “auteur” te worden. Zodoende kunt u altijd berichten plaatsen.
Zulke berichten komen beter tot uiting dan berichten die geplaatst worden via de rubriek “reacties”.
Aanmelden via : nbbactiegroep@gmail.com
Een voorspoedig en gelukkig 2012 !
Aandeelhouders NBB in blijde verwachting!
Volgens het artikel van onze voormalige Echo de la Bourse krijgen we volgend jaar dus een dividend van 4.125 euro per aandeel.
Het dividend is voor alle aandeelhouders gelijk, als het aandeel van de Staat in het dividend 825 miljoen euro bedraagt krijgen de privé aandeelhouders hetzelfde of 4.125 euro per aandeel.
Heel goed nieuw dus of zou de journalist van dienst niet goed weten waar hij het over heeft?
Het dividend is voor alle aandeelhouders gelijk, als het aandeel van de Staat in het dividend 825 miljoen euro bedraagt krijgen de privé aandeelhouders hetzelfde of 4.125 euro per aandeel.
Heel goed nieuw dus of zou de journalist van dienst niet goed weten waar hij het over heeft?
Abonneren op:
Posts (Atom)