Als je weet dat de belangrijkste taak van een centrale bank bestaat uit het verdedigen van de koopkracht van het geld moet je een neutrale scheidsrechter vinden om de prestatie van die centrale bank te meten. Fysiek goud is de perfecte scheidsrechter om te oordelen over de prestaties van die centrale bank.
Van volgende feiten zijn we zeker:
Een Belgische Louis van 20 Belgische Frank uit 1850 bevat 5,80 gram fijn goud of 0,29 gram goud per frank.
In 1926 verlaagt de regering de pariteit goud/frank tot 0,041822 gram goud per frank, een devaluatie van 86%!
Vandaag bedraagt de pariteit 0,00061728 gram goud per frank of een verlies van 99,79% sinds de oprichting van de NBB in 1850.
Verlies hierbij niet uit het oog dat het goud nog steeds fors ondergewaardeerd is en nog niet volledig het koopkrachtverlies gecompenseerd heeft.
maandag 30 april 2012
Winst??????????????
Iedereen even goed opletten alstublieft:
stap 1: De Staat leent geld bij de NBB;
stap 2: De Staat kan die lening niet terugbetalen;
stap 3: De politici vervangen de onafhankelijke gouverneur en plaatsen een ex-minister in zijn plaats;
stap 4: De politici devalueren de frank met 86%;
stap 5: De Staat betaalt een deel van zijn schulden aan de NBB terug met geld dat nagenoeg waardeloos geworden is.
De commerciële banken waren, met behulp van hun politieke vrienden, begonnen met het uithollen van de onafhankelijkheid van de NBB.
De aanzet voor de huidige monetaire crisis was gegeven.
stap 1: De Staat leent geld bij de NBB;
stap 2: De Staat kan die lening niet terugbetalen;
stap 3: De politici vervangen de onafhankelijke gouverneur en plaatsen een ex-minister in zijn plaats;
stap 4: De politici devalueren de frank met 86%;
stap 5: De Staat betaalt een deel van zijn schulden aan de NBB terug met geld dat nagenoeg waardeloos geworden is.
De commerciële banken waren, met behulp van hun politieke vrienden, begonnen met het uithollen van de onafhankelijkheid van de NBB.
De aanzet voor de huidige monetaire crisis was gegeven.
1925-1926 deel 3
Intussen was het klimaat op de valutamarkten omgeslagen onder invloed van het doortastende beleid van Francqui.
Na een dieptepunt van 217 frank per pond in juli, herstelde de frank zich geleidelijk naar een niveau van ongeveer 175 frank, het peil dat Francqui voor ogen had als stabilisatiekoers.
De tijd was dus aangebroken om opnieuw onderhandelingen op te starten over een grote langlopende buitenlandse lening.
Anders dan een half jaar eerder verliepen die gesprekken vrij vlot.
De Belgische Staat kreeg van een consortium van internationale bankiers een dertigjarige lening van 100 miljoen dollar tegen 7 procent.
Daarnaast verklaarden een aantal westerse circulatiebanken zich bereid een krediet van 50 miljoen dollar ter beschikking te stellen van de NBB.
Alle voorwaarden waren dus vervuld om over te gaan tot een officiële muntstabilisatie en het herstel van de goudconvertibliteit.
Krachtens het koninklijk besluit van 25 oktober 1926 werd 1 frank gelijkgesteld aan 0,0418422 gram zuiver goud (nvdr dit was een afgrijselijke devaluatie met ongeveer 86%, voorheen was 1 frank gelijk aan 0,29 gram fijn goud!!!!).
Tegenover het pond sterling gaf dit een spilkoers van 175 frank, wat neerkwam op een devaluatie tot een zevende van zijn vooroorlogse waarde.
De onmiddellijk opvraagbare verplichtingen van de NBB moesten voortaan voor tenminste 40% gedekt zijn door goud of gouddeviezen.
Anders dan tijdens de vooroorlogse situatie kon de minister van Financiën geen lagere dekkingsgraad meer toestaan.
De reserves van de Bank, die zwaar waren aangetast door de opeenvolgende speculatieve aanvallen tegen de frank werden op twee manieren aangevuld.
Ten eerste droeg de Staat de netto-opbrengst van de pas afgesloten internatiotionale lening over aan de Bank.
Ten tweede stond de edelmetaalvoorraad van de Bank nog steeds geboekt tegen de vooroorlogse waarde. Ooit de uit de herwaardering van de metaalreserves voortvloeiende winst werd door de overheid goeddeels aan de Bank afgestaan.
Met beide operaties loste de Staat terzelfdertijd haar schulden tegenover de Bank in aanzienlijke mate af (nvdr onwaarschijnlijk maar waar de Staat leent geld van de NBB, komt eerst haar verplichtingen niet na en betaalt achteraf de lenig terug met geld dat 86% minder waard is!).
Daarmee kwam grotendeel een einde aan de nefaste verstrengeling van de overheidsfinanciën met de kredietverlening van de NBB. (De Bank, de frank en de euro pagina 115)
Na een dieptepunt van 217 frank per pond in juli, herstelde de frank zich geleidelijk naar een niveau van ongeveer 175 frank, het peil dat Francqui voor ogen had als stabilisatiekoers.
De tijd was dus aangebroken om opnieuw onderhandelingen op te starten over een grote langlopende buitenlandse lening.
Anders dan een half jaar eerder verliepen die gesprekken vrij vlot.
De Belgische Staat kreeg van een consortium van internationale bankiers een dertigjarige lening van 100 miljoen dollar tegen 7 procent.
Daarnaast verklaarden een aantal westerse circulatiebanken zich bereid een krediet van 50 miljoen dollar ter beschikking te stellen van de NBB.
Alle voorwaarden waren dus vervuld om over te gaan tot een officiële muntstabilisatie en het herstel van de goudconvertibliteit.
Krachtens het koninklijk besluit van 25 oktober 1926 werd 1 frank gelijkgesteld aan 0,0418422 gram zuiver goud (nvdr dit was een afgrijselijke devaluatie met ongeveer 86%, voorheen was 1 frank gelijk aan 0,29 gram fijn goud!!!!).
Tegenover het pond sterling gaf dit een spilkoers van 175 frank, wat neerkwam op een devaluatie tot een zevende van zijn vooroorlogse waarde.
De onmiddellijk opvraagbare verplichtingen van de NBB moesten voortaan voor tenminste 40% gedekt zijn door goud of gouddeviezen.
Anders dan tijdens de vooroorlogse situatie kon de minister van Financiën geen lagere dekkingsgraad meer toestaan.
De reserves van de Bank, die zwaar waren aangetast door de opeenvolgende speculatieve aanvallen tegen de frank werden op twee manieren aangevuld.
Ten eerste droeg de Staat de netto-opbrengst van de pas afgesloten internatiotionale lening over aan de Bank.
Ten tweede stond de edelmetaalvoorraad van de Bank nog steeds geboekt tegen de vooroorlogse waarde. Ooit de uit de herwaardering van de metaalreserves voortvloeiende winst werd door de overheid goeddeels aan de Bank afgestaan.
Met beide operaties loste de Staat terzelfdertijd haar schulden tegenover de Bank in aanzienlijke mate af (nvdr onwaarschijnlijk maar waar de Staat leent geld van de NBB, komt eerst haar verplichtingen niet na en betaalt achteraf de lenig terug met geld dat 86% minder waard is!).
Daarmee kwam grotendeel een einde aan de nefaste verstrengeling van de overheidsfinanciën met de kredietverlening van de NBB. (De Bank, de frank en de euro pagina 115)
Onafhankelijk or not onafhankelijk, that's the question!?
We zijn hier getuige van het feit dat een grootschalige aanval wordt gelanceerd op de onafhankelijkheid van de NBB door de politiek.
Laat ons niet uit het oog verliezen dat de NBB tot taak had de koopkracht van de frank te beschermen, op het ogenblik dat dit niet langer past in het kraam van de politici wordt de onafhankelijkheid van de Bank ondergraven.
Wellicht wordt op dit moment in de geschiedenis gezaaid wat we vandaag oogsten: de grootste financiële crisis uit de geschiedenis!
Laat ons niet uit het oog verliezen dat de NBB tot taak had de koopkracht van de frank te beschermen, op het ogenblik dat dit niet langer past in het kraam van de politici wordt de onafhankelijkheid van de Bank ondergraven.
Wellicht wordt op dit moment in de geschiedenis gezaaid wat we vandaag oogsten: de grootste financiële crisis uit de geschiedenis!
1925-1926 van de ene crisis in de andere deel 2
Hoewel Janssen bepaalde toegevingen deed, hij verlaagde bijvoorbeeld de beoogde spilkoers tot 106 frank per pon sterling, bleven de onderhandelingen met de buitenlandse bankiers aanslepen.
Bijgevolg brak bij de beleggers in Belgisch overheidspapier opnieuw een vertrouwenscrisis uit.
Zij weigerden de schatkistbons die vervielen te vernieuwen waardoor de regering met zware liquiditeitsproblemen werd geconfronteerd.
De malaise sloeg over naar de valutamarkten, waar de Nationale Bank enkel dankzij ongekende interventies de frank op een niveau van 107 frank per pond kon houden.
In die context eisten de buitenlandse bankiers meer dan ooit een consolidatie van de vlottende schuld vooraleer ze een langlopende lening zouden toestaan.
Francqui lanceerde daarop het idee om het consolidatieprobleem op te lossen via een gedeeltelijke privatisering van de Belgische staatsspoorwegen, maar het voorstel stuitte op een socialistisch veto. Toen duidelijk werd dat de langlopende internationale stabilisatielening er niet zou komen, barstte een wilde speculatiegolf los tegen de frank.
Om de fors geslonken deviezenreserves niet nodeloos uit te putten, gaf Janssens de Bank opdracht de koers van de frank niet langer te ondersteunen.
Het pond steeg op één dag van 107 naar 121,5 frank en zette ook nadien zijn opmars gestaag voort. De wisselkoersstabilisatie was mislukt en Jansen trok daaruit de passende conclusie: op 5 mei 1926 nam hij ontslag als minister van financiën.
Enkele dagen later viel de regering Poullet-Vandervelde. Het opdoemende spookbeeld van een staatsmoratorium, waarbij de Schatkist haar verplichtingen niet meer kon nakomen, en de dreigende ineenstorting van de wisselkoers zorgden ervoor dat in allerijl een regering van nationale eenheid werd gevormd onder leiding van de katholiek Henri Jaspar.
Om snel te kunnen ingrijpen, verleende het parlement de regering bijzondere machten. Maurice Houtard, directeur van de Bank van Brussel, werd minister van Financiën, maar de echte sterke man in het nieuwe kabinet was Emile Francqui, minister zonder portefeuille.
Fancqui pakte meteen het saneringsbeleid aan; in tegenstelling tot Janssen gaf hij absolute voorrang aan het probleem van de rampzalige openbare financiën.
De muntstabilisatie zou pas in tweede instantie volgen. Om het begrotingsevenwicht structureel te herstellen, nam Francqui draconische maatregelen.
De belastingen werden nogmaals fors verhoogd, terwijl in de overheidsuitgaven genadeloos het mes werd gezet.
De binnenlandse vlottende schuld consolideerde hij via een gedeeltelijke privatisering van de staatsspoorwegen, waarbij schatkistbons vrijwel verplicht werden omgezet in aandelen van de pas opgerichte NMBS.
Door de acute crisissituatie bleken zowel de bevolking als de politici bereid maatregelen te slikken die vroeger niet of nauwelijks bespreekbaar waren.
Francqui slaagde hoe dan ook in zijn opzet: de overheidsfinanciën werden grondig gesaneerd, zodat de aandacht kon worden toegespitst op de tweede fase, namelijk de muntstabilisatie.
In dit dossier kwamen de jarenlange wrijvingen tussen de grootbanken, vooral de Generale Maatschappij, en de NBB over het te voeren monetaire beleid duidelijk tot uiting.
Francqui koesterde een diep wantrouwen tegenover de Bank en vooral ten opzicht van haar gouverneur Fernand Hautain.
Aanvankelijk werd de Bank in het stabilisatieproces volkomen genegeerd. Zelfs de interventies op de valtutamarkten, ter ondersteuning van de frank, gebeurden via de grootbanken.
Die situatie was onhoudbaar zodat Francqui aanstuurde op het ontslag van Hautain. De gouverneur was te nauw betrokken geweest bij de mislukte stabilisatiepoging van Janssen om op een geloofwaardige manier gestalte te kunnen geven aan een nieuw munstsaneringsbeleid.
Toch speelden andere overwegingen wellicht een even belangrijke rol. Zo steunde Hautain volop de commerciële activiteiten van de Bank, wat Francqui duidelijk niet zinde.
Hoe dan ook, bij koninklijk besluit van 27 september 1926 werd Hautain uit zijn ambt ontheven; hij werd opgevolgd door de liberale ex-minister Louis Franck, di in het parlement de aandacht had getrokken door zijn scherpe aanvallen op het stabilisatieplan van Janssen. (De Bank, de frank en de euro pagina 112/115)
Bijgevolg brak bij de beleggers in Belgisch overheidspapier opnieuw een vertrouwenscrisis uit.
Zij weigerden de schatkistbons die vervielen te vernieuwen waardoor de regering met zware liquiditeitsproblemen werd geconfronteerd.
De malaise sloeg over naar de valutamarkten, waar de Nationale Bank enkel dankzij ongekende interventies de frank op een niveau van 107 frank per pond kon houden.
In die context eisten de buitenlandse bankiers meer dan ooit een consolidatie van de vlottende schuld vooraleer ze een langlopende lening zouden toestaan.
Francqui lanceerde daarop het idee om het consolidatieprobleem op te lossen via een gedeeltelijke privatisering van de Belgische staatsspoorwegen, maar het voorstel stuitte op een socialistisch veto. Toen duidelijk werd dat de langlopende internationale stabilisatielening er niet zou komen, barstte een wilde speculatiegolf los tegen de frank.
Om de fors geslonken deviezenreserves niet nodeloos uit te putten, gaf Janssens de Bank opdracht de koers van de frank niet langer te ondersteunen.
Het pond steeg op één dag van 107 naar 121,5 frank en zette ook nadien zijn opmars gestaag voort. De wisselkoersstabilisatie was mislukt en Jansen trok daaruit de passende conclusie: op 5 mei 1926 nam hij ontslag als minister van financiën.
Enkele dagen later viel de regering Poullet-Vandervelde. Het opdoemende spookbeeld van een staatsmoratorium, waarbij de Schatkist haar verplichtingen niet meer kon nakomen, en de dreigende ineenstorting van de wisselkoers zorgden ervoor dat in allerijl een regering van nationale eenheid werd gevormd onder leiding van de katholiek Henri Jaspar.
Om snel te kunnen ingrijpen, verleende het parlement de regering bijzondere machten. Maurice Houtard, directeur van de Bank van Brussel, werd minister van Financiën, maar de echte sterke man in het nieuwe kabinet was Emile Francqui, minister zonder portefeuille.
Fancqui pakte meteen het saneringsbeleid aan; in tegenstelling tot Janssen gaf hij absolute voorrang aan het probleem van de rampzalige openbare financiën.
De muntstabilisatie zou pas in tweede instantie volgen. Om het begrotingsevenwicht structureel te herstellen, nam Francqui draconische maatregelen.
De belastingen werden nogmaals fors verhoogd, terwijl in de overheidsuitgaven genadeloos het mes werd gezet.
De binnenlandse vlottende schuld consolideerde hij via een gedeeltelijke privatisering van de staatsspoorwegen, waarbij schatkistbons vrijwel verplicht werden omgezet in aandelen van de pas opgerichte NMBS.
Door de acute crisissituatie bleken zowel de bevolking als de politici bereid maatregelen te slikken die vroeger niet of nauwelijks bespreekbaar waren.
Francqui slaagde hoe dan ook in zijn opzet: de overheidsfinanciën werden grondig gesaneerd, zodat de aandacht kon worden toegespitst op de tweede fase, namelijk de muntstabilisatie.
In dit dossier kwamen de jarenlange wrijvingen tussen de grootbanken, vooral de Generale Maatschappij, en de NBB over het te voeren monetaire beleid duidelijk tot uiting.
Francqui koesterde een diep wantrouwen tegenover de Bank en vooral ten opzicht van haar gouverneur Fernand Hautain.
Aanvankelijk werd de Bank in het stabilisatieproces volkomen genegeerd. Zelfs de interventies op de valtutamarkten, ter ondersteuning van de frank, gebeurden via de grootbanken.
Die situatie was onhoudbaar zodat Francqui aanstuurde op het ontslag van Hautain. De gouverneur was te nauw betrokken geweest bij de mislukte stabilisatiepoging van Janssen om op een geloofwaardige manier gestalte te kunnen geven aan een nieuw munstsaneringsbeleid.
Toch speelden andere overwegingen wellicht een even belangrijke rol. Zo steunde Hautain volop de commerciële activiteiten van de Bank, wat Francqui duidelijk niet zinde.
Hoe dan ook, bij koninklijk besluit van 27 september 1926 werd Hautain uit zijn ambt ontheven; hij werd opgevolgd door de liberale ex-minister Louis Franck, di in het parlement de aandacht had getrokken door zijn scherpe aanvallen op het stabilisatieplan van Janssen. (De Bank, de frank en de euro pagina 112/115)
Abonneren op:
Posts (Atom)